Artikel in Schuttevaer

De Galjas Marieje ( Artikel gepubliceerd in De Schuttevaer; auteur: Hajo Olij)

Onze zee- en koftjalken zeilden naar de Oostzee om boomstammen te halen, de galjas kwam ze hier brengen. Begin negentiende eeuw kwamen ze regelmatig bij de houtwerven in Haarlem en langs de Zaan. In Scandinavië verzorgden ze het vervoer tussen de vele eilanden. In 1867 bouwde scheepsbouwer Benzon uit het Deense Nykøbing het jagt Castor, met één mast, een mooie zeeg en een hartvormige spiegel met aangehangen roer. Ze had een ronde boeg, een breed U- vormig grootspant, een S-spant in de kont en een lange, ondiepe kiel liep van voor naar achter. Het schip bleek snel en stabiel en kreeg al spoedig overal navolging. In Fåborg op het eiland Fünen bouwde Rasmus Møller schoeners, brikken en grote houten lichtschepen. Toen in 1910 een oorkaan vuurschip no. 1 van zijn ankers sloeg en op de gronden voor Jutland wierp, kon het schip weer uitgegraven en geborgen worden. Rasmus Møller bleek degelijke schepen te bouwen, zijn naam was gemaakt.

Bouwploeg_klein

Voorjaar 1897 bestelde Rasmus Nielsen bij deze werf een galjas. Hij was een veelzijdig man, in het dorpje Faldsled had hij een kleine boerderij, met zijn oude schip bracht hij de overschotten aan graan en andere landbouw producten weg, viste en haalde onder de kust grote stenen naar boven voor de aanleg van havens en als afscheiding tussen de velden. De benodigde bouwtijd bedroeg een half jaar. Eerlijk handwerk, er werd van ’s morgens vijf uur tot zeven uur ‘s avonds doorgetimmerd, zes dagen per week. Eerst werd de beuken kiel gelegd, daarop kwamen de stevens en dan werden de zware eiken spanten opgericht. Alleen de onderste gangen waren van beuken, het merendeel van eiken. Ze werden op elkaar gelegd en aan de spanten vast genageld en afgepropt. Aan de binnenzijde werd een volledige binnenhuid, de wegering, op de spanten getimmerd. Het potdeksel was van eiken, het dek van grenen. Maandag 21 maart 1898 gleed de galjas Marie, spreek uit Marieje, te water, zo genoemd ter ere van zijn vrouw.

Door de Eerste Wereldoorlog kwam er veel vraag naar vis, het vrachtschip Marie werd in 1916 verkocht aan een visser aan de Lymfjord. In 1917 werd een gat door de achtersteven geboord voor de schroefas en kwam een 40 pk één cilinder Bolinder aan boord, een degelijke gloeikop uit Zweden. Wel behield ze haar twee mast tuig nog tot 1918, want door gebrek aan dieselolie, werd er nog volop gezeild. In 1919 verdween de bezaanmast, er kwam een stuurhutje op dek en alleen een hulptuig bleef staan. Op de motor werd een groot net uitgevaren en op de lier weer aan boord gedraaid, de snurrevaad. De kabeljauw, schelvis en tong werd op zee door snelle visjagers opgekocht.

In 1927 liet Kristen Laursen uit Thyboron haar weer ombouwen tot vrachtschip. Zijn vrouw Amalia Carlsen voer mee en bediende de lier bij het laden en lossen. Ze vervoerden vaak cement uit Aalborg. In 1939 overleed Kristen Laursen, Amalia voer tot 1952 door met haar oudste zoon Gilbert Sørensen als schipper. Vervolgens ging het schip naar het eiland Samsø, aardappelen werden weggebracht, bouwmateriaal kwam mee terug. In 1967 was het gebeurd met de vrachtvaart, de Marieje werd verkocht aan Vilhelm Rasmussen. Hij verbouwde haar tot schoolschip. Hij wist toen al, hoe stimulerend een zeilend schip is voor de vorming van zijn leerlingen. In 1972 werd de galjas uit geldgebrek weer verkocht en kwam in Duitse handen. In Troense knapte scheepsbouwmeester Michael Kiersgaard de Marieje op en gaf haar weer het oorspronkelijke tuig.

De laatste Duitse eigenaar Axel Vogt merkte, dat hij alleen niet in staat was de Marieje te onderhouden, al sinds 1974 was er achterstallig onderhoud. Frits Loomeijer legde contact tussen hem en een groepje afgestudeerde studenten uit Wageningen. Na de verkoop van hun Wieringer aak WR 167, vielen ze in een zwart gat en besloten op zoek te gaan naar een houten zeeschip. De koop werd gesloten. Toen zij winter 1982 naar Brünsbutel togen om de galjas naar Nederland over te varen, bleek in het ruim een halve meter water te staan, het hele interieur dreef in de olie, want ook de motor zat onder. Een diepe neerslachtigheid maakte zich van hen meester tot iemand voorstelde om te gaan aanpakken.

“De Marieje heeft ongeveer zeshonderd leden, zij maken jaarlijks naar eigen keuze een bedrag over”, vertelt schipper Jano van Gool. ”Daarvan zeilen er tweehonderd vijftig mee en helpen met onderhoud. Een harde kern van zestig is heel betrokken, daar zitten ook mensen bij, die liever alleen willen timmeren. Nu in de winter ligt de Marieje afgetuigd onder een tent in het haventje van Zuidbroek. Op 30 april varen we haar naar de Noorderhaven in Harlingen. Dan zeilt ze elk weekend op het Westwad. Vanaf 1 juli wordt er elk jaar een tocht van twee maanden gemaakt naar Denemarken of Bretange. Aan het einde van de week brengt een busje de nieuwe ploeg aan boord en rijdt de afstappers weer terug. De tweede week van oktober zeilen we haar naar Bültjer in Ditzum, daar gaat ze de kant op. Zij doen het moeilijke werk, zelf lopen we het breeuwwerk na, schilderen en hakken bijvoorbeeld nagels uit, zo blijven de kosten binnen de perken. We hebben daar twee grote restauratiebeurten gedaan. Het achterschip en de plaatsing van een andere motor en in 1999 het voorschip. Door al die jaren grondig onderhoud, is het schip beter geworden en nu wordt het vooral voorblijven. In de herfst begint de Marieje altijd weer te lekken, vooral bij de gangen in de kont, want daar staan de naden naar binnen toe open”.

“Met twaalf personen hoeven we niet te voldoen aan de keur voor grote schepen, maar toch proberen we het schip wel op dit hoge niveau in de vaart te houden. We hebben een vaste groep van zeven schippers en een paar in opleiding, zes daarvan hebben zelfs ‘s winters de Zeevaartschool in Enkhuizen gedaan. Eén week varen we samen en dan voeren we tot diep in de nacht discussies op welk anker je het best kan draaien. Want de Marieje is een zware vrachtvaarder, moeilijk rond te krijgen. De lengte van de romp is maar zeventien en een halve meter, maar met de boegspriet en daarop de kluiverboom, is dat veel meer en dan steken er achter nog twee houten davids buiten boord. De lange kiel en de windvang van het flinke tuig helpen ook niet altijd mee. Je vaart soms in het buitenland een onbekend haventje binnen zonder dat je weet, of er ligplaats is en of je er ooit weer uitkomt. Maar dat maakt het varen met dit schip juist zo spannend. We kregen wel eens een applausje van de kant”. “Onze leden brengen nieuwe opstappers binnen, we werven niet. Dat maakt het ook heel anders dan op een charterschip. We doen het allemaal vrijwillig, het is ons schip en het zeilen met deze prachtige galjas maakt ons vrolijk en schenkt ons veel voldoening”.

Voor meer informatie over dit bijzondere schip, kijk op de nieuwe website http://www.marieje.nl

De Galjas Marieje

In 1898 gebouwd op de bouwplaats van Rasmus Møller in Fåborg.

Lengte over alles 26.5 meter, over de stevens 17.5 meter, 5 meter breed, diepgang 1.80, 40 ton.

Gaffelkits getuigd, aan de wind 127 m2, vol tuig met vlieger, aap, breefok en topzeilen 240m2.

Motor 135 pk Scania, 2000 toeren uit 1970 Hydraulische koppeling.