Marieje 2015 – verslag gelegd door een landrot maar zeebonk in wording

Het is zaterdagochtend 29 juli 2015. Donkere wolken pakken zich samen boven Saint-Malo. De brug van de sluis blijft monotoon hangen in zijn eigen gepiep, wat door de kracht van herhaling steeds dreigender wordt. Een adolescente meeuw produceert een piepend geluid, snijdend door merg en been. Ondertussen komt de ene na de andere reiziger de haven binnengedruppeld. Er worden wat woorden gewisseld, maar duidelijk is dat de nacht hen had opgebroken. De nacht die het begin inluidde van een avontuur dat een week zou duren, maar een ervaring voor het leven was. De Marieje opende haar ruim en slokte begerig de verse aanwas op...

Voor mij was de Marieje al een begrip door alle verhalen die ik erover had gehoord. Na iedere zomervakantie kwamen vrienden van mij terug naar Groningen, vol met verhalen over tropische eilandjes, laveren door een woeste storm om de punt bij Normandië langs te komen, en over bergen verse vis die on the spot werden gevangen en bereid. Ik werd altijd erg enthousiast door deze anekdotes, maar om de een of andere reden was het nog niet gelukt om mee te gaan.

Eind juli 2015 kwam daar, eindelijk, verandering in! Samen met 11 andere zeebonkels, hadden we het recht om een week lang op Marieje de Bretagnese kust te muiten, te kielhalen en op andere manieren onveilig te maken. De bemanning bestond uit Michiel (schipper!), Toon (maat!), Lieke (geitebokkel), Brenda (keuken-prinses), Jasper (red-nose), Martin (prematuurtje), Irena (found-the-right-dose), Sander (van klimmer tot kielhaler), Christoph (male version of Nena), Maria (weer of geen weer, altijd weer om in het kluivernet te klimmen) and Toni (the happy hobbit).

Ik zal eerlijk zijn tegen jullie: ik moest even slikken toen ik aan boord van de Marieje kwam. Ondanks dat ik van kamperen hou en dus gewend ben aan bepaalde vormen van primitiviteit, moest ik even slikken bij het idee om een week op de Marieje te zijn. Ik was nog nooit op een boot geweest met 12 man, en had geen idee dat er geen douche aan bak- noch stuurboord was, je water met je voet moest pompen en dat je ook daadwerkelijk misselijk kan worden op een schommelende, rollende en rochelende boot. Wat de kraan betreft: die heb ik tot op de laatste dag opengedraaid – tevergeefs natuurlijk. Daar staat wel tegenover dat ik eenmaal thuis na de zeilreis op de grond aan het tikken was met mijn voet om water uit de kraan te krijgen. Ook tevergeefs. Ik heb wel snel weer afgeleerd om het WC papier in de prullenbak te gooien; dat was lastiger om aan te leren in het begin van de week.

Mijn eerste keer op wacht

Het is kwart over vijf in de ochtend als Toon mij vraagt om het roer over te nemen. Het is nog pikke donker. Ik zie het schijnsel van de vuurtoren van Huisduinen die ik ken als de Lange Jaap. Ik moet me goed concentreren want twee Helderse kotters zijn vlak bij. Het is deze week de tweede nacht dat wij doorvaren. Dat is nodig omdat wij rond zes uur bij het Marsdiep moeten zijn om met de vloedstroom de doorgang te kunnen maken naar de Waddenzee. Het regent nog licht maar dit is niets vergeleken bij het heftige onweer dat losbarstte vlak nadat wij Scheveningen hadden verlaten. Ik lag in mijn kooi en moest me af en toe vasthouden wanneer de Marieje weer een diep golfdal opzocht.

Pas zes weken gelen ronselt Bert mij in Brugge voor deze vaartocht. Wij zijn collega’s. Bert vaart en ik fiets sinds kort met een groep toeristen van de andere kant van de wereld door het Belgische en Franse landschap. De boot is ons hotel. Ik heb nog nooit van de Marieje gehoord maar het concept spreekt mij zeer aan. Dit is wat anders dan in je uppie aan een boot klussen waarbij de uren onderhoud het aantal vaaruren ver overstijgen.

Ik heb voor deze wacht gekozen omdat ik het ochtendgloren wil meemaken. Die eerste zonnestralen over het water… De eerste nacht was het bewolkt en deze nacht is het niet veel beter. Toch heb ik een heel bijzonder gevoel. Ik wordt er een beetje emotioneel van. Den Helder ken ik goed, Ik ben er geboren. Ik schat dat wij momenteel vlak langs de Richel varen, een zandplaat die met eb droogvalt en dan het domein wordt van de zeehonden. Het begint licht te gloren. Vaag zie ik de hoge dijken die de kop van Noord Holland beschermen tegen het geweld van het water. Soms wandelde ik daar op zondagmiddag met mijn ouders en zusjes. We peuterden de alikruken tussen de basaltblokken die we dan in zout water kookten en met een speld er uitpeuterden. Heerlijk. En nu sta ik hier op dit prachtige schip aan het roer. Ik krijg er kippenvel van. Nee, de Marieje is nog lang niet van mij af.

Meindert Rudolphi Cherbourg – Harlingen 8 tot 14 aug 2015